‘Dit is wat over is van de winter van 1979’

Foto boven: Lekker in het zonnetje op het strand van Voorne, in de winter ven 2026 - Simone Wiersma

‘Dit is wat over is van de winter van 1979’. Een jongere collega poneerde dit gisteren als prikkelende stelling in een discussie-app voor meteorologen. We hadden het over de huidige winter, en over hoe die er 50 jaar geleden had kunnen uitzien.

Volgens hem is klimaatverandering er de oorzaak van dat een winter zoals die van 2026 toen wel tot een strenge winter had kunnen uitgroeien, en nu niet meer. Doordat de wintergrens, als gevolg van de opwarming van de aardatmosfeer, nu 400 tot 600 kilometer noordelijker ligt dan in die tijd het geval zou zijn geweest. En het hu in Nederland dus vooral zacht is.

Lekker in het zonnetje op het strand van Voorne, in de winter ven 2026 - Simone Wiersma
Lekker in het zonnetje op het strand van Voorne, in de winter ven 2026 - Simone Wiersma

Interessante theorie

Het is een interessante theorie. Eigenlijk altijd, als het over klimaatverandering gaat, zeggen we dat de warme zones in het zuiden uitbreiden, ten koste van de koude zones in het noorden, die juist inkrimpen. Klimaatgebieden schuiven hierdoor naar het noorden op.

Advertentie

Wie een beetje van meteorologie afweet, heeft misschien wel eens van de circulatiecellen gehoord, die voor een belangrijk deel uitmaken waar klimaatzones terechtkomen. Per halfrond zijn het er drie: de Hadleycel (tussen 0 en 30 graden), de Ferrelcel (tussen 30 en 60 graden) en de Polaire cel (tussen 60 en 90 graden). Tijdens het zomerhalfjaar wordt de Hadleycel groter en schuiven de andere twee naar het noorden op. In de winter gebeurt het omgekeerde. Dan groeit de Polaire cel en schuiven de andere twee cellen weer naar het zuiden.

De Hadleycel groeit, de andere twee schuiven noordwaarts op

Door de stijging van de temperaturen op aarde wordt de Hadleycel per saldo groter, terwijl de Polaire cel aan omvang inboet. Op de grenzen van de circulatiecellen liggen de straalstromen. Tussen de Haldeycel en de Ferrelcel is dat de subtropische straalstroom (rond 30 graden noord en zuid) en tussen de Ferrelcel en de Polaire cel de Polaire straalstroom (rond 60 graden noord en zuid). Met name die laatste is erg belangrij voor het weer bij ons.

Om in de winterkou terecht te komen, moet de straalstroom naar het zuiden zakken, om boven het zuiden van Europa of zelfs Noord-Afrika terecht te komen. Ook deze winter is dat gebeurd. Kijk maar naar het zeer natte weer van nu in bijvoorbeeld Spanje en Portugal.

De afwijking van de luchtdruk in de winter van 1963 - Jelmer van der Graaff
De afwijking van de luchtdruk in de winter van 1963 - Jelmer van der Graaff
De gemiddelde afwijking van de temperatuur in de winter van 1963 - Jelmer van der Graaff
De gemiddelde afwijking van de temperatuur in de winter van 1963 - Jelmer van der Graaff

Een erg zuidelijke straalstroom is voor winterweer onmisbaar

Kijk je terug naar een paar grote winters uit het verleden, dan hebben die allemaal zo’n erg zuidelijk liggende straalstroom met elkaar gemeen. Andere overeenkomsten zijn het enkele malen per winter opduiken van (sterke) hogedrukgebieden in de buurt van Groenland, met aan hun oostflank de afstroom van poolkou naar het zuiden, als brandstof voor de winter. Afgewisseld worden zulke ‘Groenlandfases’ met hogedrukgebieden boven Scandinavië.

Advertentie

In periodes met een zeer zuidelijk gelegen straalstroom verdwijnt het traditioneel bij de Azoren liggende hogedrukgebied vaak. Een eventueel hogedrukgebied bij Groenland krijgt op die manier de kans om de lagedrukgebieden op de oceaan te ‘blokkeren’, waardoor zachte lucht vanuit het zuiden even geen ‘push’ naar het noorden krijgt, zoals nu wel steeds gebeurt.

Patroon laatste weken heeft wel iets van 1963 en 1979

Kijk je naar de gemiddelde luchtdruk van winters als 1963 (de koudste van de vorige eeuw) en 1979, dan zie je dat het patroon wel wat wegheeft van de drukverdeling zoals we die de afgelopen weken ook in Nederland hebben gehad. Met dit verschil dat de uitkomst ervan toen heel veel kouder was dan die van nu. Waar zitten die verschillen dan precies in?

Allereerst valt op dat de kracht van de hogedrukgebieden, die van tijd tot tijd in de buurt van Groenland opdoken, in 1963 en in 1979 groter was dan die van de hogedrukgebieden die we er dit jaar zagen. Kijken we naar de Azoren, dan ontbrak het hogedrukgebied daar in de winters van 1963 en 1979 wel vaak, maar dit jaar eigenlijk niet. Lukte het toen wel om de lagedrukgebieden van de oceaan geregeld te blokkeren, deze winter kwam dat er niet van. Verder regelden die hogedrukgebieden toen wel steeds weer nieuwe uitbraken van ‘echte kou’ naar het zuiden en deze winter juist niet. Na begin januari is er dit jaar geen uitbraak van kou meer geweest.

De afwijking van de luchtdruk in de winter van 1979 - Jelmer van der Graaff
De afwijking van de luchtdruk in de winter van 1979 - Jelmer van der Graaff
De gemiddelde afwijking van de temperatuur in de winter van 1979 - Jelmer van der Graaff
De gemiddelde afwijking van de temperatuur in de winter van 1979 - Jelmer van der Graaff

De noordelijke hogedrukgebieden waren toen wel sterker

Ook in de fases met hogedruk boven Scandinavië zagen de hogedrukgebieden er in de winters van 1963 en 1079 sterker uit dan nu. Waren ze dit jaar wel eens sterk, dan lagen ze met hun kern verder naar het zuiden, in de buurt van de Baltische staten of zelfs boven het oosten van Europa. In de winters van 1963 en 1979 was de wind door dit alles bij ons behalve oostelijk ook geregeld noordoostelijk, in de winter van dit jaar domineerde de oostelijke tot zuidoostelijke variant. De kou mocht dan dichtbij zijn, hij kon ons dit jaar steeds niet echt bereiken. Toen wel.

En dan is er nog iets bijzonders. Zowel in de winter van 1963 als in die van 1979 waren er ook langere fases waarin de weerkaarten helemaal niet op winterweer wezen, of zelfs als twee druppels water leken op die van de laatste weken in de winter van nu. Met dat verschil dat het toen wel koud bleef en nu niet. Daarin speelde de voorgeschiedenis een grote rol.

Ook de voorgeschiedenis hielp destijds mee

Doordat alles in de perioden voorafgaand aan zo’n fase destijds beter viel dan nu, kon de winter dergelijke periodes met enig kunst en vliegwerk overleven. Bijvoorbeeld doordat niet alleen bij ons, maar ook inde landen om ons heen sneeuw lag. En het zeewater door de eerdere kou sterk was afgekoeld, met op veel oppervlaktewater in het binnenland een dikke laag ijs. Soms maakte het niet uit waar de wind vandaan kwam, koud was het toch wel. Zolang maar niet, zoals nu wel, op de oceaan een groot lagedrukgebied lag dat zachte lucht een push gaf.

Dus: sterkere hogedrukgebieden bij Groenland en boven Scandinavië, een vaker geblokkeerde oceaan, doordat het Azorenhogedrukgebied vaker afwezig was dan nu, regelmatigere uitbraken van ‘echte kou’ vanuit het poolgebied naar het zuiden en een prominentere rol van de toen veel koudere voorgeschiedenis. Dat waren wel de belangrijkste ingrediënten die van de winters van 1962 en 1979 strenge winters maakten. En die dit jaar voor een belangrijk deel ontbraken.

De afstroom van kou vanuit het noorden was niet indrukwekkend

In de huidige winter zagen we twee keer een afstroom van kou naar het zuiden. De eerste keer was eind november, de tweede keer begin januari. Van die twee episoden kwam de afstroom aan het einde van november het beste uit de verf. Het Alpengebied profiteerde er ook van mee. Tijdens de uitbraak van kou in de eerste 10 dagen van januari gebeurde dat niet.

Doordat beide uitbraken direct door een periode met zeer zachte, zuidelijke winden werd gevolgd, speelde de voorgeschiedenis geen rol meer, toen de drukverdeling boven Europa opnieuw winterse trekjes begon te krijgen. We moesten weer helemaal op nul beginnen.

Het ontbreken van een echte blokkade op de oceaan zorgde er intussen voor dat lagedrukgebieden het Europese continent toch steeds wisten te benaderen, in de rug gesteund door het hogedrukgebied bij de Azoren. Zagen we in december lange tijd een zuidelijke wind, zowel hogerop in de atmosfeer als aan de grond (met overal in Nederland de bijbehorende hoge temperaturen), de afgelopen weken hield die zuidenwind in de bovenlucht gewoon aan. Alleen aan de grond kwam de wind wel in de oosthoek terecht. Het was niet genoeg voor een echte winter, al hebben we vooral in het noorden wel heel wat voorbij zien komen.

Is dit nu allemaal een gevolg van klimaatverandering?

Is dit alles nu een gevolg van klimaatverandering? Dat zullen we nooit helemaal weten, al is het niet onmogelijk. Het kan best zo zijn dat als een drukverdeling als deze zich 50 jaar geleden had voorgedaan, de hogedrukgebieden bij Groenland en boven Scandinavië wel sterker waren geweest, ten koste van de collega bij de Azoren. En dat de straalstroom daardoor inderdaad enkele honderden kilometers zuidelijker was uitgekomen dan nu. Zo koude lucht wel meer de kans gehad om naar het zuiden te komen. Maar ja, als en dan… Of het ook echt zo is, kunnen we niet testen. We kunnen het alleen proberen te begrijpen.

Interessant is dat er volgende week mogelijk wel een fase met noordoostelijke winden aan zit te komen. Hopelijk komt het zover, want dan kunnen we zien hoe het ook had kunnen gaan.

Voeg weerverteller.nl toe aan het startscherm van je telefoon

Mis ook deze verhalen niet:

Volg ons ook op facebook en X!

Jouw foto op Weerverteller.nl?

Stuur je foto naar foto@weerverteller.nl, of via X met de vermelding van @weerverteller

Advertentie