El Niño houdt langer aan en krijgt mogelijk een tweede piek
Reinout van den BornDe huidige El Niño lijkt minder snel te verdwijnen dan eerder werd verwacht. Waar eerdere berekeningen rond het begin van de volgende zomer op een terugkeer naar normale omstandigheden wezen, blijft het zeewater in de nieuwste verwachtingen langer duidelijk warmer dan normaal. Voor de kust van Ecuador en Peru verschijnt bovendien een mogelijke tweede piek.

Eerder schreven we op deze site over de sterke El Niño die zich dit jaar in de Stille Oceaan heeft ontwikkeld. Daarbij gaat het niet alleen om warm zeewater. Ook de atmosfeer doet mee. De gebruikelijke oostelijke passaatwinden zijn verzwakt en worden in delen van het gebied geregeld door westenwinden vervangen. De tropische buien hebben zich eveneens verplaatst.
De nieuwste verwachtingen lijken nu een mogelijke tweede piek te suggereren, in elk geval in het oostelijke deel van het El Niño-gebied. Of het centrale deel ook meegaat, is nog de vraag.
Twee gebieden, twee ontwikkelingen
Om El Niño te kunnen volgen, houden meteorologen verschillende gebieden in de tropische Stille Oceaan in de gaten. Een belangrijke graadmeter is wat er in Niño 3.4 gebeurt, een groot gebied in het centrale en oostelijke deel van de oceaan. Dichter bij de kust van Ecuador en Peru ligt het veel kleinere gebied Niño 1+2.
In de nieuwe seizoensverwachting van het Europese weercentrum ECMWF bereikt de temperatuurafwijking in Niño 3.4 rond december en januari een brede top. Daarna laten de meeste berekeningen een geleidelijke afname zien. Het water blijft voorlopig warmer dan normaal, maar de afwijking wordt kleiner. De verwachte afzwakking betekent voorlopig echter nog geen einde van El Niño. Zelfs in mei houden alle berekeningen in deze pluim het zeewater in Niño 3.4 ruim warmer dan normaal. Een terugkeer naar neutrale omstandigheden rond het begin van de zomer is daarmee minder vanzelfsprekend geworden.

Nieuwe stijging voor de Zuid-Amerikaanse kust
Voor Niño 1+2 ziet de ontwikkeling er nog weer anders uit. Daar neemt de afwijking eerst eveneens af, tot ongeveer februari of maart. Vervolgens laten veel berekeningen een duidelijke nieuwe stijging zien. In mei kan het zeewater er volgens een groot deel van de berekeningen opnieuw rond 5 graden warmer dan normaal zijn. Ook het Amerikaanse CFSv2-model laat een tweede stijging zien, al verschillen de verwachte afwijkingen en timing.
Omdat het hier om afwijkingen van de normale zeewatertemperatuur voor iedere maand gaat, hoeft een grotere afwijking niet te betekenen dat het water zelf warmer wordt. Ook als het minder afkoelt dan gebruikelijk, kan de afwijking toenemen.
Ook enkele lijntjes in het centrale gebied
De duidelijkste aanwijzingen voor een tweede piek vinden we daarmee voor de Zuid-Amerikaanse kust. Toch is het beeld verder naar het westen niet helemaal eenduidig.
Ook in de Niño 3.4-pluim laten enkele berekeningen richting het einde van de verwachtingsperiode weer een opleving zien. Ze zijn voorlopig in de minderheid: de meeste lijnen blijven dalen. Maar ze laten wel zien dat de afbouw van El Niño mogelijk met horten en stoten verloopt.
Of de nieuwe opwarming vooral een kustverschijnsel blijft, of ook een groter deel van de tropische Stille Oceaan raakt, is daarmee nog een open vraag. De komende modelruns moeten laten zien of meer berekeningen die tweede ontwikkeling gaan volgen.

Waarom kan de kust opnieuw opwarmen?
Een sterke El Niño eindigt niet overal tegelijk. Dat zagen we ook na de grote El Niño’s van 1982/1983 en 1997/1998. Toen bleef het zeewater in het verre oosten van de Stille Oceaan lang warm en namen de afwijkingen plaatselijk opnieuw toe.
Een belangrijke schakel is de aanvoer van koud water uit de diepte. Normaal helpen de passaatwinden om langs de evenaar koud water naar boven te brengen. Tijdens El Niño wordt die koeling minder effectief. De grens tussen het warme oppervlaktewater en het koude water eronder komt in het oosten vaak dieper in zee te liggen.
De warmte kan zichzelf nog even in stand houden
Later kan het op diepte alweer afkoelen, terwijl de oppervlaktelaag nog warm blijft. Als de wind onvoldoende koud water omhoogbrengt, bereikt die afkoeling de oppervlakte maar moeilijk. Dat speelde ook in 1998 een belangrijke rol. Toen de oostenwinden uiteindelijk terugkeerden, koelde het zeewater juist bijzonder snel af.
Bovendien kan de warmte haar eigen voortbestaan bevorderen. Boven het warme water blijven gemakkelijker zware buien ontstaan. Bij eerdere sterke El Niño’s bleef de tropische regenzone tijdens de afbouw dicht bij de evenaar liggen. De bij die buien behorende luchtcirculatie verzwakte de passaatwinden in het oosten, waardoor de opwelling van koud water verder werd onderdrukt. Zo konden de warme afwijkingen tot in het voorjaar of de vroege zomer aanhouden en zelfs opnieuw groeien.
Westenwinden geven nieuwe impulsen
Ondertussen gebeurt aan de andere kant van de oceaan eveneens iets belangrijks. Boven de westelijke Stille Oceaan, in de ruime omgeving van Indonesië, Nieuw-Guinea en ten noorden van Australië, steken geregeld westenwinden op.
Zulke windpulsen kunnen El Niño een nieuwe zet geven. Ze brengen brede verstoringen in de oceaan op gang, die langs de evenaar naar het oosten trekken. Deze zogenoemde Kelvingolven zijn geen golven zoals we die op het strand zien. Het zijn brede verstoringen die ook de grens tussen de warme bovenlaag en het koudere water daaronder omhoog of omlaag laten bewegen.
Komt zo’n golf in het oosten aan, dan kan die grens dieper komen te liggen. Het water dat daar dan opwelt, is daardoor minder koud en koelt de oppervlakte minder goed af. Op die manier kan een windpuls ver weg op de oceaan later bijdragen aan de warmte bij Zuid-Amerika.
De terugkerende westenwinden passen dus bij een El Niño die nieuwe voeding krijgt. Of ze ook de doorslag geven bij de nu verwachte tweede kustpiek, kunnen we uit de temperatuurpluimen alleen niet afleiden. Daarvoor zijn ook de ontwikkelingen onder water en de wind boven het oostelijke deel van de oceaan van belang.

Waarom komen die westenwinden steeds terug?
Die herhaling ontstaat door een samenspel van tropische weersystemen en de omstandigheden die El Niño zelf schept.
Een rol kan zijn weggelegd voor de Madden–Julian Oscillation, meestal afgekort tot MJO. Dit is een langzaam oostwaarts trekkend patroon van actievere en minder actieve buien in de tropen. In een gunstige fase kan het ontstaan van westelijke windpulsen worden bevorderd. Ook tropische depressies en cyclonen kunnen de westenwind langs de evenaar versterken. Niet iedere windpuls heeft daardoor dezelfde oorzaak.
Tegelijkertijd verandert El Niño de achtergrond waartegen zulke weersystemen ontstaan. Warm water en actieve buien komen verder naar het oosten te liggen. Daarmee veranderen ook de gebieden waar westelijke windpulsen kunnen optreden en hoe ver ze doorwerken.
Er ontstaat zo een wisselwerking: de windpulsen helpen El Niño groeien, terwijl de veranderende oceaan gunstige omstandigheden voor nieuwe windpulsen kan scheppen. Dat betekent niet dat de versterking eindeloos doorgaat. Wel kan het helpen verklaren waarom El Niño steeds opnieuw een zetje krijgt.
Vooral voor Ecuador en Peru van belang
Een tweede opwarming voor de Zuid-Amerikaanse kust kan daar grote gevolgen hebben. Warm zeewater kan, als ook de luchtcirculatie meewerkt, zware buien voeden. Vooral in Ecuador en het noorden van Peru kunnen die tot overstromingen leiden.
Ook op zee zijn de gevolgen merkbaar. Als minder koud en voedselrijk dieptewater de bovenlaag bereikt, verandert de voedselvoorziening van het ecosysteem. Dat werkt door naar vissen, zeevogels en de visserij.
Een tweede piek in de temperatuurafwijking betekent overigens niet automatisch een tweede, even grote regenramp. De werkelijke watertemperatuur, het seizoen en de ligging van de buienzone bepalen mede hoeveel regen er valt.

Gevolgen buiten Zuid-Amerika nog onzeker
Voor de gevolgen buiten Zuid-Amerika moeten we naar de ontwikkeling van het hele tropische oceaan-atmosfeersysteem blijven kijken. Een nieuwe kustpiek betekent op zichzelf niet dat ook de wereldwijde invloed van El Niño opnieuw sterker wordt. En uit deze kaarten valt evenmin een concrete verwachting voor het Nederlandse weer af te leiden.
Daar komt bij dat de tweede stijging maanden vooruit ligt. De berekeningen lopen door het voorjaar heen, een periode waarin de verdere ontwikkeling van een El Niño relatief lastig te verwachten is. Hoe uitgesproken de opleving wordt en hoe ver die zich uitstrekt, blijft onzeker.
Opvallend genoeg om te blijven volgen
Toch is het signaal opvallend genoeg om te volgen. Terwijl de meeste berekeningen voor het centrale deel van de Stille Oceaan volgend jaar een afzwakking laten zien, kan de warmte aan de Zuid-Amerikaanse kust opnieuw oplaaien. Deze El Niño is voorlopig nog niet voorbij en lijkt langer aan te houden dan eerst gedacht.
weerverteller.nl toe aan het startscherm van je telefoon
Mis ook deze verhalen niet:
Voor weernieuws uit Vlaanderen kijk op: meteo-weer.be
Waarom beklimmen mensen bergen?
Poolwervel verder onderuit: hoe bruikbaar is de vergelijking met 2010?
De achterdeurtjes van de komende, vrijwel zeker zachte winter
Een fascinatie voor de winter die nog maar nauwelijks wordt gevoed
Het jaar 1540 was krankzinnig. Maar kijk eens goed naar 2026
Waardoor gaat winterkou sinds 2013 vaker aan Nederland voorbij?
Volg ons ook op facebook, X, Instagram en Bluesky!
Jouw foto op Weerverteller.nl?
Stuur je foto naar foto@weerverteller.nl, of via X met de vermelding van @weerverteller










