Arctisch zee-ijs lijkt aan nieuw dieptepunt te ontsnappen
Reinout van den BornDe wereld is oververhit, grote delen van het noordelijk halfrond worden al weken gedomineerd door hogedrukgebieden en de oceanen zijn uitzonderlijk warm. Ook in het Noordpoolgebied begon het jaar met een alarmerend beeld. Het zee-ijs bereikte in maart een historisch dieptepunt en was niet alleen in oppervlakte gering, maar ook opvallend jong en dun.
Het leek daarmee bijna onvermijdelijk dat de zomer opnieuw voor een forse afname zou zorgen. Toch is er, met nog ongeveer een maand van het smeltseizoen te gaan, een opmerkelijke ontwikkeling zichtbaar. De lijn van de zee-ijsafname is inmiddels duidelijk losgeraakt van die van 2012, het jaar waarin het Arctische zee-ijs uiteindelijk tot het laagste niveau van de satellietmetingen wegzakte.

Goed gaat het niet, en toch is het beeld relatief gunstig
Dat betekent allerminst dat het goed gaat met het poolijs. Het ijsoppervlak ligt nog steeds ver beneden het niveau dat enkele tientallen jaren geleden normaal was. Maar ten opzichte van de sombere verwachtingen die de extreem slechte uitgangspositie in het voorjaar opriep, is het beeld dit jaar relatief gunstig.
Waarom valt het dit jaar, ondanks de uitzonderlijk warme omstandigheden op aarde, relatief mee?
Een dramatische start van het jaar
De uitgangspositie was bepaald niet gunstig. Op 15 maart bereikte het Arctische zee-ijs zijn jaarlijkse maximum, met een oppervlakte van ongeveer 14,29 miljoen vierkante kilometer. Daarmee kwam 2026 statistisch uit op een gedeelde laatste plaats met 2025: nooit eerder in de satellietreeks was het wintermaximum zo klein geweest.
Daar komt bij dat niet alleen de oppervlakte gering was. Een groot deel van het ijs was jong en dun. Het Arctische ijs is in de afgelopen decennia sterk uitgedund. Vooral het oude, meerjarige ijs is grotendeels verdwenen. Jong eerstejaarsijs is veel kwetsbaarder en kan tijdens één zomer volledig verdwijnen.
Dat maakt de uitgangspositie van het voorjaar belangrijk. Als het Noordpoolgebied met weinig en dun ijs aan de zomer begint, is minder energie nodig om een groot deel ervan te laten verdwijnen. Dat was dan ook precies de reden waarom de ontwikkelingen in het voorjaar en de vroege zomer met argusogen werden gevolgd.
Maar toen veranderde het weerbeeld
Tijdens het smeltseizoen in het hoge noorden is niet alleen de hoeveelheid warmte die het Noordpoolgebied bereikt van belang. Minstens zo belangrijk is wat de atmosfeer met die warmte doet.
Een groot deel van deze zomer lag boven het Arctische gebied een lagedrukgebied. Dat is een fundamenteel andere situatie dan de hardnekkige hogedrukgebieden die het weerbeeld in het poolgebied in jaren met een extreme afsmelt van het ijs domineerden.
Hogedruk betekent doorgaans dalende lucht en vaak relatief heldere omstandigheden. De zon kan dan, ondanks zijn lage stand, veel energie aan het oppervlak leveren. In het Arctische zomerhalfjaar staat de zon immers 24 uur per dag boven de horizon. Dalende lucht warmt bovendien op en kan zo bijdragen aan temperaturen die ruim boven het vriespunt uitkomen.

Onder heldere omstandigheden wordt de zonnestraling bovendien relatief efficiënt door het oppervlak opgenomen. Dat geldt vooral voor het inmiddels aanwezige en veel donkerdere open water. IJs en sneeuw zijn wit en reflecteren een groot deel van de invallende zonnestraling. Water doet dat nauwelijks en warmt daardoor veel sneller op.
Bewolking werkt in dit opzicht als een soort parasol. De wolken beperken de hoeveelheid zonnestraling die het aardoppervlak bereikt. In een zomer waarin het ijs al kwetsbaar is, kan dat een groot verschil maken.
Dit jaar was er veel bewolking boven het poolgebied. Bovendien bleef de bovenlucht op veel plaatsen relatief koel. Daardoor ontbrak een van de belangrijkste ingrediënten voor een extreem snelle afsmelt: de langdurige en grootschalige aanwezigheid van warmte boven het ijs.
Wind kan het verschil maken
Ook de wind speelt een belangrijke rol. Zee-ijs is geen stilstaande plaat. Het bestaat uit talloze stukken die voortdurend door het poolgebied heen en weer drijven en door wind en zeestromingen worden verplaatst. Daardoor kan eenzelfde hoeveelheid ijs in het ene jaar heel anders over het Noordpoolgebied worden verdeeld dan in het andere.
Voor de gemeten oppervlakte heeft die verdeling grote gevolgen. Als het ijs uit elkaar wordt gedreven, ontstaan grote gebieden met open water. Wordt het ijs samengedreven, dan kunnen juist grote, compacte ijsvelden ontstaan die minder snel wegsmelten.
De atmosferische circulatie bepaalt daarmee mede hoe het ijs zich gedraagt. Een lagedrukgebied heeft daarbij niet simpelweg als effect dat het ijs 'bij elkaar wordt gehouden'. Het gaat om de combinatie van windrichting, ijsdrift, bewolking en temperatuur. Juist die combinatie lijkt dit jaar gunstiger te zijn geweest dan in sommige extreme smeltjaren.
Transport van ijs het poolgebied uit
Daarbij speelt ook het transport door de Framstraat, tussen Groenland en Spitsbergen, een belangrijke rol. IJs dat vanuit de centrale Noordelijke IJszee zuidwaarts wordt getransporteerd, komt uiteindelijk in relatief warm Atlantisch water terecht en kan daar snel verdwijnen. De atmosferische circulatie bepaalt mede hoeveel ijs op deze manier het poolgebied verlaat.
Dit jaar heeft de zomerwind het ijs niet op dezelfde desastreuze manier uit het Arctische bekken afgevoerd als in sommige eerdere extreme jaren.
Aan de Atlantische kant is de situatie nog altijd slecht. In onder meer de Barentszzee en gebieden rond Groenland zijn de tekorten aan zee-ijs groot. Aan de Pacifische kant is het beeld echter opvallend anders. Vooral langs de Canadese kust ligt op veel plaatsen relatief veel ijs.
Dat regionale verschil is belangrijk. Het totale oppervlak is uiteindelijk het resultaat van al die regionale ontwikkelingen bij elkaar.
Waarom 2012 zo'n uitzonderlijk jaar was
Het jaar 2012 laat goed zien hoe sterk het weer een toch al kwetsbaar ijsdek kan beïnvloeden.
In dat jaar was het zee-ijs al sterk afgenomen, maar in augustus kreeg het Noordpoolgebied bovendien met een uitzonderlijk krachtige stormdepressie te maken. Die storm brak het ijs op en zorgde voor een sterke verandering in de ijsverdeling.
Uiteindelijk daalde het zee-ijs in september naar het laagste niveau uit de periode van de satellietmetingen. Onderzoekers hebben later vastgesteld dat deze uitzonderlijke depressie een belangrijke bijdrage leverde aan het extreme minimum van dat jaar.
De langjarige trend is niet gekeerd
Dat 2026 waarschijnlijk geen nieuw absoluut dieptepunt oplevert, betekent niet dat de ontwikkeling van het Arctische zee-ijs is gekeerd. De langjarige trend is onverminderd negatief. Zowel het zomerijs als het winterijs is de afgelopen decennia sterk afgenomen en het ijs is bovendien veel dunner geworden.
De extreem lage winterstand van 2025 en 2026 laat zien hoe kwetsbaar het systeem inmiddels is. Een relatief gunstige zomer verandert daar niets aan. Het is vooral een adempauze binnen een ontwikkeling die al tientallen jaren gaande is.
Het Arctische zee-ijs reageert bovendien niet in een rechte lijn op de wereldtemperatuur. Van jaar tot jaar bepalen de atmosfeer en de oceaan in belangrijke mate hoe snel het ijs in de zomer afneemt.
Dit jaar lijkt die combinatie, ondanks de uitzonderlijk slechte uitgangspositie, voorlopig in het voordeel van het ijs uit te pakken. Een lichtpuntje dus. Maar wel één tegen een langzaam donkerder wordende achtergrond.
Mis ook deze verhalen niet:
Recordsterke El Niño op komst. Reageert atmosfeer nog wel zoals vroeger?
Podcast: wat betekent klimaatverandering voor onze voedselvoorziening?
Volg ons ook op facebook, X, Instagram en Bluesky!
Voor weernieuws uit Vlaanderen kijk op: meteo-weer.be
Jouw foto op Weerverteller.nl?
Stuur je foto naar foto@weerverteller.nl, of via X met de vermelding van @weerverteller










