Ook toen oostenwind: waarom november 1980 wél ijskoud begon

Foto boven: Een boer brengt zijn koeien vanwege de plotselinge sneeuwval terug naar de stal - Rob C. Kroes

Een oostenwind is in november voor liefhebbers van winterweer nog altijd een beetje spannend. Toch lijkt de komende periode geen winters, maar vooral vrij rustig najaarsweer op te leveren, met koude nachten en overdag temperaturen ruim boven nul. Begin november 1980 ging het heel anders. Toen bracht de oostenwind meteen vorst, gevolgd door een dik pak sneeuw. Wat gebeurde toen dat we nu missen?

In de duinpannen heeft het de afgelopen nacht alweer tot bijna 4 graden gevroren. Het laat zien wat lange nachten, weinig wind en het bijzondere microklimaat van zo’n beschutte laagte voor elkaar kunnen krijgen. Maar een koude duinpan staat nog niet gelijk aan een winterinval. Daarvoor moet de kou een veel groter gebied in de greep hebben en ook overdag aanhouden.

Een boer brengt zijn koeien vanwege de plotselinge sneeuwval terug naar de stal - Rob C. Kroes
Een boer brengt zijn koeien vanwege de plotselinge sneeuwval terug naar de stal - Rob C. Kroes

Precies dat gebeurde begin november 1980, nu alweer 46 jaar geleden. Op 3 november in dat jaar kwam de temperatuur in De Bilt niet hoger dan -0,9 graden. Het was de vroegste ijsdag uit de meetreeks. Een paar dagen later lag in een brede strook over Nederland een dikke laag sneeuw. De herfst leek ineens plaats te hebben gemaakt voor de winter.

Advertentie

De voorbereiding begon eind oktober

De omslag op de weerkaart begon eind oktober. Op dat moment trok een lagedrukgebied bij Denemarken naar het oosten weg. Boven Scandinavië ontwikkelde zich een krachtig hogedrukgebied, met een kerndruk die uiteindelijk bijna 1050 hectopascal bereikte.

Aan de zuidflank ervan kwam een oostelijke stroming op gang. Daarmee werd steeds koudere lucht aangevoerd. Op 1 november lag de temperatuur in de vroege ochtend al rond het vriespunt. Een dag later vroor het op veel plaatsen enkele graden en kwam het kwik ook overdag maar moeizaam boven nul.

Op 3 november volgde de recordvroege ijsdag. De vorst was dus al binnen voordat de sneeuw viel. Het eerste deel van de winterinval bestond vooral uit droge, aangevoerde kou.

Dat laatste is best opvallend. Ook met een matige of vrij krachtige oostenwind kon het toen vriezen. Het KNMI beschreef de kou achteraf als sterk indringend. Het was duidelijk meer dan een dun laagje koude lucht dat zich tijdens een windstille nacht vlak boven de grond had gevormd.

Advertentie

Het was niet alleen de oostenwind

Wie alleen naar de windrichting van toen in Nederland kijkt, mist een belangrijk deel van de verklaring voor de kou van dat moment. Een oostenwind vertelt uit welke richting de lucht hier in Nederland aankomt. Maar daarmee weten we nog niet waar de lucht eerder is geweest, hoe koud het daar was en hoeveel opwarming of verdere afkoeling onderweg heeft plaatsgevonden.

Voor vroege winterkou moet in de brongebieden voldoende koude lucht beschikbaar zijn. Vervolgens moet de drukverdeling die lucht ook werkelijk onze kant op sturen. Een hogedrukgebied boven Scandinavië kan daarbij helpen, maar de precieze ligging ervan maakt veel uit.

In 1980 kwam de juiste combinatie tot stand. De drukverdeling bracht vanuit het noordoosten lucht naar Nederland die koud genoeg was om het zelfs overdag te laten vriezen. De lange novembernachten hielpen vervolgens om ook de bodem verder af te koelen. Daarmee werd het land als het ware voorbereid op wat later zou komen. In het begin lag er nog geen sneeuw, maar de ondergrond was door de vorst al wel een stuk kouder geworden.

De sneeuw kwam met zachtere lucht

Vanaf 6 november veranderde de situatie. Ten westen van Portugal kwam een lagedrukgebied opzetten, terwijl een ander lagedrukgebied boven Italië lag. Op enige hoogte werd met een zuidelijke tot zuidoostelijke stroming relatief warme en vochtige lucht aangevoerd. Dicht bij de grond hield de noordoostenwind de aanvoer van koude lucht ondertussen in stand.

Een technisch rapport van het KNMI beschrijft deze situatie in detail. Rond het lagedrukgebied boven Italië kwam de vochtigere lucht via de Balkan onze kant op. Hoger in de atmosfeer bevond zich een laag waarin de temperatuur boven nul lag. Sneeuw die daar doorheen viel, kon smelten. Dicht bij de grond was het plaatselijk nog koud genoeg voor onderkoelde neerslag. In Limburg werd inderdaad onderkoelde motregen of motijzel gemeld.

De neerslag zelf veranderde de omstandigheden

Smeltende sneeuw onttrekt warmte aan de lucht waar die doorheen valt. De warmere laag koelde daardoor af, zodat de sneeuwvlokken uiteindelijk de grond konden bereiken zonder onderweg nog te smelten. Volgens het KNMI ging de onderkoelde regen in Zuid-Limburg zelfs eerder dan berekend in sneeuw over, doordat de neerslag intensiever was dan van tevoren aangenomen.

Zo kon de aanvoer van vochtige, zachtere lucht juist een belangrijk onderdeel van de sneeuwsituatie worden. De koude lucht bij de grond bood weerstand, terwijl van bovenaf steeds nieuwe neerslag omlaag kwam.

Een witte wereld in Garderen

In de avond van 6 november en de daaropvolgende nacht sneeuwde het op verschillende plaatsen flink door. Vooral over het midden van Nederland ontstond een dik sneeuwdek.

Zelf herinner ik me die avond nog goed. Als twaalfjarige liep ik in Garderen naar het dorpshuis voor de repetitie van de muziekvereniging. Het begon te sneeuwen bij een temperatuur net onder nul. Toen we na de repetitie weer buiten kwamen, was de wereld wit geworden. De volgende ochtend lag er ongeveer 15 centimeter.

De vorst van de voorgaande dagen had geholpen: de sneeuw kon meteen blijven liggen. In delen van het land hield het winterse landschap vervolgens nog dagen stand. Ook rond Garderen konden we bij temperaturen rond het vriespunt nog dagenlang van de sneeuw genieten.

Sneeuw als versterker

Een sneeuwdek kan eenmaal aanwezige kou verder versterken. Overdag kaatst de sneeuw veel zonlicht terug, waardoor minder energie beschikbaar komt om het oppervlak op te warmen. Bovendien isoleert sneeuw: de warmte uit de onderliggende bodem bereikt de bovenkant van de sneeuwlaag minder makkelijk. Tijdens heldere nachten kan het daardoor sterk afkoelen.

Toen de sneeuw viel, was de recordvroege ijsdag al geweest. Voor die eerste vorst was een Nederlands sneeuwdek dat jaar kennelijk niet nodig.

Sneeuw in de brongebieden van de kou kan eveneens helpen om de lucht koud te houden. Welke rol dat destijds speelde, zou nader moeten worden onderzocht. Zeker is in elk geval dat de aangevoerde lucht in Nederland al vóór de sneeuwval uitzonderlijk koud was. Tijdens de sneeuwperiode was het vaak bewolkt, waardoor de nachtelijke afkoeling werd geremd. Het werd niet kouder dan tot -5 graden. De laagste temperaturen vielen dan ook niet noodzakelijk boven de sneeuw, maar juist tijdens de heldere start van de koude periode, toen het in de nachten plaatselijk 7 graden vroor. Dat was toch serieuze vorst, zo vroeg in het seizoen.

Wat ontbreekt er nu?

Terug naar nu. Ook de komende week hebben we met een oostelijke stroming te maken. Toch is de uitgangssituatie anders. Het ervoor verantwoordelijke hogedrukgebied ligt aanvankelijk boven de Britse Eilanden en breidt zich later richting Scandinavië uit. De lucht komt uit het noordoosten en krijgt onderweg deels met de invloed van de Oostzee te maken.

We krijgen een overwegend droge periode met aardig wat zon en middagtemperaturen rond 10 graden. Later in de week kan het kwik in de nachten rond nul graden uitkomen. Daarmee ontbreekt de aanvoer van vorstlucht die de novemberstart van 1980 wel kenmerkte. En ook een actieve sneeuwsituatie zoals toen staat duidelijk niet op de kaarten.

Plaatselijk kan het wel flink afkoelen. De duinpannen lieten dat de afgelopen nacht al zien. Beschutte laagten kunnen tijdens heldere, rustige nachten hun eigen kou verzamelen. Zodra de zon opkomt of de wind aantrekt, verdwijnt zo’n plaatselijk koude laag echter weer. Dat verschilt sterk van een winterinval waarbij voortdurend koude lucht wordt aangevoerd.

Ook het klimaat is veranderd

Daar komt de opwarming bij. De lucht die Nederland tegenwoordig bereikt, is gemiddeld warmer dan vroeger. Dat geldt ook als de wind uit een richting waait die we met kou verbinden. Een oostenwind heeft daardoor een warmere uitgangspositie gekregen.

Bovendien hangt veel van de voorgeschiedenis af. De lucht die ons de komende dagen bereikt, is onderweg nog onvoldoende afgekoeld om hier ook overdag vorst te brengen. Er is in de Europese brongebieden eigenlijk nog helemaal geen kou voorradig.

De opwarming maakt een herhaling van zo’n vroege winterinval moeilijker, maar niet helemaal onmogelijk. Ook in 1980 was de koude novemberstart uitzonderlijk. Het verschil met nu kunnen we daarom zeker niet volledig aan klimaatverandering toeschrijven: de ligging van de weersystemen en de voorgeschiedenis van de lucht waren dat jaar ook erg bepalend.

Destijds werd het puzzeltje perfect gelegd

Destijds volgden verschillende stappen elkaar op een voor winterweer gunstige manier op. Eerst kwam de vorstlucht, daarna koelde de bodem af, vervolgens arriveerde een vochtige luchtstroom die boven de kou veel sneeuw opleverde. Nu krijgen we wel een aflandige wind, maar voorlopig ontbreekt verder die hele opeenvolging die toen zo belangrijk was.

En zelfs in 1980 hield het niet stand. Het KNMI beschrijft hoe dezelfde novembermaand na de vroege vorst en sneeuw halverwege omsloeg naar extreem zacht weer. De winter mocht dan vroeg op bezoek zijn gekomen, voor een langdurig vervolg was het ook in 1980 niet genoeg.

Voeg weerverteller.nl toe aan het startscherm van je telefoon

Mis ook deze verhalen niet:

Voor weernieuws uit Vlaanderen kijk op: meteo-weer.be

Is de muziek van Bach beïnvloed geweest door de Kleine IJstijd?

Volg ons ook op facebook, X, Instagram en Bluesky!

Jouw foto op Weerverteller.nl?

Stuur je foto naar foto@weerverteller.nl, of via X met de vermelding van @weerverteller

Advertentie